Nefrotisch syndroom

Wanneer spreken we van nefrotisch syndroom?
De naam nefrotisch syndroom wordt gebruikt voor een aandoening met een combinatie van verschijnselen, waarvan de oorzaak in de nieren ligt.

De kenmerken zijn:

  • voortdurend eiwitverlies in de urine (proteïnurie) van meer dan 3 gram per 24 uur
  • een te laag eiwitgehalte in het bloed, met name een verlaagd albuminegehalte (hypalbuminemie)
  • vochtophoping in de weefsels of buikholte als direct gevolg van het tekort aan albumine (oedeem)
  • een te hoog vetgehalte in het bloed (hyperlipidemie) De lever compenseert het verlies van eiwitten door deze steeds meer aan te maken, maar tegelijkertijd produceert de lever ook meer vetten en cholesterol.

Wat is de oorzaak van het nefrotisch syndroom?
Onder syndroom verstaat men een combinatie van ziekteverschijnselen (symptomen) die gezamenlijk optreden. Het nefrotisch syndroom is dus geen ziekte met één bepaalde oorzaak, maar een aandoening die het gevolg kan zijn van velerlei afwijkingen.

Bij het nefrotisch syndroom ligt de oorzaak in de nier en dan vooral in de filtertjes (glomeruli). Normaal functionerende nieren lekken geen eiwit in de urine. Bij het nefrotisch syndroom lekken de nieren meer dan 3 gram eiwit per dag. Dit eiwitverlies kan het lichaam niet aanvullen en er ontstaat een tekort aan eiwit (albumine) in het bloed.

Wat zijn de eerste verschijnselen die zelf kunnen worden waargenomen?
Eén van de eerste verschijnselen die u zelf kunt waarnemen, is een blijvende ophoping van vocht die op verschillende plaatsen van het lichaam kan voorkomen. Het vocht hoopt zich vooral op rond de enkels, in de benen en soms in het gezicht of in de buik. U gaat ook minder plassen en uw gewicht neemt toe door het vasthouden van vocht. Blijvende vochtophoping kunt u zelf zien door met uw vingers enkele tellen op uw huid te drukken. Er ontstaat dan een putje dat heel langzaam weer opkomt als u de huid loslaat.

Hoe wordt de diagnose gesteld?
Als u vocht vasthoudt, zal de arts u uitvoerig onderzoeken en een urinemonster nemen. Als het laboratoriumonderzoek wijst op het nefrotisch syndroom, zult u worden doorverwezen naar een internist/nefroloog.

Bloedtests, urinemonsters en vaak ook een biopsie van de nier (uitname van een stukje weefsel) zullen zekerheid moeten geven over de diagnose. De patholoog kan het stukje nier onder de microscoop onderzoeken, en zo tot een diagnose komen. Dit is belangrijk omdat niet alle vormen van het nefrotisch syndroom op dezelfde manier worden behandeld.

Lees meer over het nefrotisch syndroom:

Ervaringsverhalen van volwassenen en kinderen met het nefrotisch syndroom: