Transplantatie algemeen

Van de verschillende nierfunctievervangende behandelingen biedt transplantatie de beste kansen op een goede nierfunctie. Bij een geslaagde transplantatie is dialyse niet meer nodig. Bij een transplantatie krijgt iemand een nier van een andere persoon. Bijna altijd krijgt iemand één nier, want één nier heeft voldoende capaciteit om het bloed te zuiveren en overtollig vocht te verwijderen.

Een transplantatie is een zware ingreep. De behandelend nefroloog stelt vast of iemand een transplantatie aan kan. De nefroloog verwijst dan door naar een transplantatiecentrum. Dat is er in elk academisch ziekenhuis. Daar vinden voorbereidend onderzoek en transplantatie plaats, evenals de controles het eerste jaar na de transplantatie.

Of de nier van een overleden persoon afkomstig is of van een naaste: de meeste getransplanteerden voelen een diepe dankbaarheid tegenover hun donor. Velen vieren de dag van de transplantatie als tweede verjaardag.

Een goede match
Een transplantatie heeft alleen kans van slagen als de donornier goed past bij de ontvanger. Anders gezegd: er moet een goede match zijn. Hoe beter de match, hoe minder kans op afstoting. Om vast te stellen of er sprake is van een goede match, wordt gekeken naar bloedgroep en weefseltypering. Vlak voor de transplantatie vindt ook nog een kruisproef plaats. De rhesusfactor van donor en ontvanger hoeven niet hetzelfde te zijn.

Bloedgroep
Aan de buitenkant van rode bloedlichaampjes zitten bepaalde eiwitten. Die worden ook wel antigenen genoemd. De antigenen bepalen iemands bloedgroep. Er zijn vier verschillende bloedgroepen: A, AB, B, O. Het bloed maakt antilichaampjes tegen alle antigenen die anders zijn dan van de eigen bloedgroep. Het bloed gaat dan klonteren. Bij een transplantatie moeten de bloedgroepen van donor en ontvangen bij elkaar passen. Ze hoeven niet precies hetzelfde te zijn.

Organen van een donor          kunnen getransplanteerd worden bij
met bloedgroep                       iemand met bloedgroep

       A                                                A, AB 
       AB                                              AB
       B                                                B, AB
       O                                               O, B

Weefseltypering
De kans op afstoting van een donornier is kleiner als de weefselkenmerken van donor en ontvanger meer op elkaar lijken. Die kenmerken zijn erfelijk bepaald. Ze zijn af te lezen aan bepaalde genen, de zogeheten HLA-genen. Het vergelijken van weefselkenmerken wordt ook wel HLA-matching genoemd.

Kruisproef
Iedereen heeft antistoffen in het bloed, stofjes die mogelijk reageren op stofjes die niet in het bloed thuishoren. Dat kan ook zo zijn bij mensen met dezelfde bloedgroep. Daarom wordt voor de transplantatie gekeken of het bloed van de donor en ontvangen bij elkaar passen. Als dat niet zo is, gaat het bloed klonteren. Het onderzoek hiernaar heet een kruisproef.

Bij levende transplantatie kan de kruisproef op elk gewenst tijdstip gebeuren, bij postmortale transplantatie alleen vlak voor de transplantatie. Een kruisproef duurt enkele uren. Dit zijn spannende uren voor de patiënt en zijn naasten, omdat de transplantatie wordt afgeblazen bij een slecht resultaat uit de kruisproef.

Plaatsing van de nier
De nieren bevinden zich achter in de buikholte de plaats van een getransplanteerde nieraan weerszijden van de wervelkolom, ongeveer ter hoogte van de taille. Bij een transplantatie komt de nier links- of rechtsonder in de buik te liggen, aan de voorzijde van het lichaam. Dit is een gemakkelijke plaats om tijdens de operatie te bereiken. De nier ligt zo ook dichter bij de blaas en de bloedvaten naar de nier. Dat is nodig, omdat een donornier altijd een kortere urineleider en bloedvaten heeft. Daarnaast is er, bij problemen met de nier, gemakkelijker een punctie uit te voeren. Hierbij wordt onder verdoving een klein stukje nierweefstel weggenomen voor onderzoek.

Afweeronderdrukkende medicijnen
Het is een natuurlijke reactie dat het lichaam zich beschermt tegen stofjes die niet in het lichaam thuishoren. Het afweersysteem spoort deze stofjes, bijvoorbeeld bacteriën of virussen, op en maakt ze onschadelijk. Het afweersysteem beschouwt een getransplanteerde nier als iets wat niet in het lichaam thuishoort. Dat is ook zo bij een nier van een familielid. Als reactie gaat het afweersysteem het getransplanteerde orgaan te lijf. Om dit te voorkomen, moet iemand die getransplanteerd is medicijnen slikken die de natuurlijke afweer gedeeltelijk onderdrukken. Deze medicijnen worden immunosuppressiva genoemd (immuno = afweer; suppressiva = onderdrukkend). Het is niet zo dat het lichaam een getransplanteerde nier na verloop van tijd als eigen gaat beschouwen. De medicijnen moeten dan ook levenslang worden ingenomen. Het moet ook zorgvuldig gebeuren. De medicijnen op een ander tijdstip nemen of een keertje overslaan is niet wenselijk. Het niet (altijd) innemen van de medicijnen vergroot de kans op afstoting aanzienlijk.

Er zijn verschillende soorten afweeronderdrukkende medicijnen. Sommige bestrijden direct de afweercellen van het lichaam. Anderen zetten de ‘fabriek’ die de afweeronderdrukkende cellen aanmaakt op een lager pitje.

Verminderde afweer
De medicijnen tegen afstoting verminderen de natuurlijke afweer. Die kan minder in het geweer komen tegen indringers. Daardoor is een getransplanteerde persoon vatbaarder voor ziektes. Transplantatiecentra geven adviezen om hiermee om te gaan. Bijvoorbeeld om te proberen verkoudheid en griep te voorkomen en jaarlijks de griepprik te halen. Voedselveiligheid is een ander punt van aandacht. Het is verstandig om geen rauwe eieren te eten, (half)rauw vlees, zachte schimmelkazen of voedsel dat over de houdbaarheidsdatum heen is. Een derde advies is om wondjes goed te verzorgen om zo ontsteking van wondjes te voorkomen.

Bijwerkingen van de medicijnen
Alle afweeronderdrukkende medicijnen hebben bijwerkingen. Welke bijwerkingen optreden, is van persoon tot persoon verschillend. Bijwerkingen die vaak voorkomen zijn: vermoeidheid, hoge bloeddruk, suikerziekte, staar of botontkalking. De medicijnen vergroten de kans op kanker. Sommige bijwerkingen kunnen via onderzoek worden vastgesteld. Daarom vinden er regelmatig, minimaal 1 keer per jaar, controles plaats. Omdat de kans op huidkanker groter is, is het advies om zonnebrandolie met een hoge beschermingsfactor te gebruiken en niet uitgebreid te zonnebaden.

Afstoting
Jammer genoeg is het niet zo, dat de medicijnen een afstoting altijd kunnen voorkomen. Daarom wordt regelmatig bloed geprikt. Als de nierfunctie onverwachts is gestegen, kan er sprake zijn van een afstoting. Er zijn twee soorten afstoting: acute en chronische.

Bij acute afstoting treedt een afstoting meestal binnen enkele dagen tot ongeveer 90 dagen na de transplantatie op. De afvalstoffen in het bloed nemen fors toe en iemand kan vocht vasthouden. Een acute afstoting gaat vaak gepaard met koorts en een algeheel gevoel van ziek zijn, maar er kunnen ook helemaal geen lichamelijke klachten zijn. Een acute afstoting wordt behandeld met een hoge dosis afweeronderdrukkers. Vaak heeft dit effect. Als het geen effect heeft, moet teruggevallen worden op dialyse. Dit is voor betrokkenen een flinke tegenvaller.

Bij een chronische afstoting is de afstoting van de nier blijvend. Meestal gaat de nierfunctie heel langzaam achteruit. Chronische afstoting kan soms behandeld worden met medicijnen die lang niet altijd het gewenste effect hebben. Als de behandeling niet aanslaat, wordt op termijn dialyse en een nieuwe transplantatie nodig. Dit is voor betrokkenen een flinke tegenvaller.

Eten en drinken
Na een geslaagde transplantatie mag iemand weer alles eten en drinken. Dieet en vochtbeperking behoren tot het verleden. De nierpatiënt voelt zich veel fitter en zal daardoor ook meer honger hebben. Sommige medicijnen tegen afstoting geven een hongergevoel. Na een transplantatie komen de meeste mensen dan ook enkele kilo’s aan. Het advies is om overgewicht te voorkomen, omdat dit op termijn allerlei gezondheidsklachten kan geven.

Resultaten van transplantatie
Bij een geslaagde niertransplantatie kan de nierfunctie 50 % zijn; veel meer dan bij dialyse (10 - 15 %). De getransplanteerde voelt zich fitter en kan meer ondernemen. Dieet en vochtbeperking behoren tot het verleden. Een transplantatie heeft ook andere kanten. Er is vrijwel altijd een flinke gezondheidswinst, maar iemand voelt zich meestal niet zo fit als voor de nierproblemen. Soms blijven er lichamelijke beperkingen en houdt iemand ook last van vermoeidheid, ook al is die veel minder intens. De resultaten van een transplantatie kunnen dan ook tegenvallen, zeker in de beginperiode als het lichaam nog moet herstellen. Daarnaast moeten levenslang medicijnen geslikt worden tegen afstoting. Die medicijnen onderdrukken de natuurlijke afweer en hebben bijwerkingen. Bij een transplantatie bestaat ook altijd het (kleine) risico dat de transplantatie niet lukt. Dit kan zowel bij postmortale nieren voorkomen als bij nieren die bij leven zijn afgestaan. Er kan ernstige, acute afstoting optreden die niet reageert op behandeling of er kunnen andere onbehandelbare complicaties optreden.  Dialyse en/of transplantatie is dan (weer) nodig. Een transplantatie die niet is geslaagd is voor alle betrokkenen een ingrijpende tegenvaller.

Onderzoek ervaringen met transplantatie NVN 1993
Liesbeth Span heeft in 1993 in opdracht van de NVN onderzoek gedaan naar de ervaringen van nierpatiënten met transplantatie. Het onderzoek is gedaan omdat er veel signalen in de vereniging waren dat nierpatiënten met te hoge verwachtingen de transplantatie ingingen en niet open stonden voor de informatie uit de gereserveerde voorlichting vooraf. Hoezeer transplantatie ook een substantiële verbetering van de eigen gezondheidssituatie met zich meebrengt, hoezeer de transplantatie het leven een stuk leefbaarder maakt: transplantatie is geen wondermiddel dat gezond en gelukkig maakt. Net als dialyse kent transplantatie bijwerkingen en complicaties.

De nadelen zijn het gebruik van medicijnen en hun bijwerkingen, de eeuwige onzekerheid rond afstoting (die zeker niet onderschat mag worden) en problemen die optreden in de relatie met anderen. Elke geïnterviewde gaat hier op eigen wijze mee om. De meesten geven wel aan dat transplantatie in positieve zin hun leven heeft beïnvloed, ook al kwam dat besef op langere termijn tot ontwikkeling. Men moet opnieuw een soort routine vinden. Relaties veranderen, maar men wordt ook zekerder en durft meer op zichzelf te vertrouwen.

U kunt het Onderzoek ervaringen met transplantatie van de NVN uit 1993 hieronder downloaden:

Transplantatie met fatale afloop
Dat patiënten niet altijd euforisch zijn na hun transplantatie hebt u hierboven kunnen lezen. Soms loop het zelfs heel fout af. Mieke Lammerink verloor haar man doordat hij na zijn niertransplantatie besmet raakte met de PCP-bacterie. Over de dood van haar man en de risico's van transplantatie heeft zij een website gemaakt: http://transplantatierisicos.nl/.