Ethische afwegingen orgaandonatie

De ethische afwegingen over postmortale en ook levende orgaandonatie kunnen worden bezien vanuit:
1. het recht op zelfbeschikking;
2. het idee dat orgaandonatie een gift moet zijn;
3. de plicht tot hulp in ernstige nood, en
4. als een bijdrage aan een sociale voorziening waarvan iedereen kan profiteren en waaraan dus ook iedereen moet bijdragen.

Zelfbeschikking
In Nederland bestaat er (nog) geen plicht tot het nemen van een persoonlijk besluit over orgaandonatie. Het is wenselijk dat zo’n besluit wordt genomen omdat de eventuele nabestaanden dan de wens van de overledene kunnen respecteren. Vanuit het zelfbeschikkingsrecht is er op deze verplichte keuze niets aan te merken. Men kan in alle vrijheid kiezen voor donatie, weigering, of om de beslissing (expliciet) over te laten aan de nabestaanden. Dat het verplicht wordt deze keuze te maken, is dus geen inbreuk op het recht om over het eigen lichaam te beschikken. Het is slechts een kleine beperking van de persoonlijke vrijheid, die volledig wordt gerechtvaardigd door het maatschappelijke belang van orgaantransplantatie.

Orgaandonatie als gift
Een belangrijk moreel uitgangspunt is dat donatie een gift moet zijn, waarbij het belang vooral bij de ontvanger ligt. Het is daarbij prijzenswaardig om te geven, maar niet laakbaar om niets te doen. De spontane bereidheid om te geven levert echter tot nu toe een structureel ontoereikend aanbod van organen op. Daarom moet het ideaal van de gift wijken voor minder vrijblijvende opvattingen over orgaandonatie.

Orgaandonatie als plicht/sociale voorziening
Ieder mens heeft eigenlijk de plicht om een ander te helpen die in levensgevaar verkeert (of in vergelijkbaar ernstige nood), als hij in een unieke positie is om die hulp te bieden en dat van hem slechts een relatief bescheiden offer vraagt. Postmortale orgaandonatie voldoet aan al die voorwaarden. Voorts wil bijna iedereen in geval van nood wel een donororgaan. Wie niet bereid is om (pas) na zijn dood een bijdrage te leveren, draagt bij aan het tekort aan organen. De (sociale) lasten worden dan op anderen afgewenteld, inclusief de levende donoren. Het ultieme alternatief is om organen alleen ter beschikking te stellen aan patiënten die zich zelf tijdig als orgaandonor hebben laten registreren. Een lichter alternatief is voorrang op de wachtlijst orgaandonatie voor deze tijdig geregistreerde donoren. Ook daarmee wordt de consequentie van de eigen keuze duidelijk zichtbaar gemaakt.

De nabestaanden
Vanuit de voorgaande morele uitgangspunten kan een recht van de nabestaanden om over postmortale donatie te beslissen alleen worden verdedigd als de overledene die beslissing expliciet aan hen heeft overgelaten. Zonder zo’n eigen uitspraak worden de nabestaanden in veelal moeilijke tijden onnodig extra belast met een morele afweging. Ook dit pleit dus voor tenminste een verplichte - maar wel vrije - keuze inzake orgaandonatie. Voorkomen moet worden dat het emotionele belang van de nabestaanden zwaarder weegt dan de (vastgelegde) wens van de orgaandonor zelf, en het (levens)belang van de (nier)patiënt.

Levende donatie
De laatste jaren betreft ongeveer de helft van de jaarlijkse circa 800 niertransplantaties een levende donor. Levende donatie is uiteraard alleen mogelijk op basis van een vrijwillig en weloverwogen besluit van de donor. Het zelfbeschikkingsrecht over het eigen lichaam weegt immers buitengewoon zwaar als het om het levende lichaam gaat. Vrijwel altijd voelt zo’n levende donor een specifieke zorgplicht voor de ontvangende patiënt. Dit hoeft de echter overheid niet te verhinderen om (levende) donatie te waarderen, te faciliteren en verder te reguleren. Dat betekent ook dat een compensatieregeling voor eventuele kosten en/of gederfde inkomsten verbonden aan - het faciliteren van - de (levende) donatie best royaal mag zijn.

Deze samenvatting door S. van der Schaaf is goeddeels ontleend aan Ethische verkenning (Bijlage C-1 uit het Masterplan Orgaandonatie), Afscheid van de vrijblijvendheid; Beslissystemen voor orgaandonatie in ethisch perspectief, Prof. dr. G.A. den Hartogh (Centrum voor Ethiek en Gezondheid),2008