Een wachtkamer met 2 deuren

Gepubliceerd op 25 november 2019

‘Goedemorgen, meneer B, hoe was uw weekend?’ Ik neem plaats op het krukje naast zijn dialysestoel. Zijn antwoord begint met zijn gebruikelijke naam voor mij: ‘Broeder, in de krant stond dat bij nierpatiënten depressie op de loer ligt. Nu wil ik niet klagen, maar doe ik het toch.’

Meneer B ligt wit weggetrokken in de stoel, het laken over zich heen. ‘Klaag maar raak,’ stel ik hem gerust. Hij trekt een ernstig gezicht: ‘Die depressie ligt niet meer op de loer, als een leeuwin in het hoge gras, maar heeft mij overmeesterd. Haar nagels diep in mijn vlees.’

Ik vraag hem waar hij dat aan merkt. ‘Laat ik het u zo vertellen: ik belandde aan deze machine en sindsdien is het alsof ik permanent in een afgesloten kamer leef. Er zijn 2 deuren. Ik zit maar in die kamer te wachten en te wachten. Vanachter de linkerdeur klinkt eens in de zoveel tijd een stem die een naam roept.’ 

‘Een mens mag altijd blijven hopen, soms kunnen we niet meer doen dan dat’

Ik vraag hem wat er achter die deur zit? ‘Niet zo snel,’ antwoordt hij haast gepikeerd. ‘Ik zit dus in die kamer en ik wacht. Week in, week uit. Dan hoor ik ineens de Stem die mijn naam uitspreekt. Daarna sta ik op. Ik duizel nog na en rek me uit. Ik wil wel klaar zijn voor wat me achter die linkerdeur staat te wachten. Is het de dood? Is het een nieuw begin? En is dat wellicht niet gewoon een en hetzelfde?’

Ik geef antwoord op zijn retorische vraag: ‘Zou kunnen. Dat weet ik ook niet.’ Meneer B vertelt onverdroten verder: ‘Jarenlang heb je dag in, dag uit jezelf uit bed gepraat. Het leven was een sisyfusarbeid: je rolt een steen de berg op en aan het eind van de dag dondert die weer naar beneden. Elke dag opnieuw. Om radeloos van te worden.’

Ik probeer opnieuw een vraag op te werpen: ‘En wat gebeurt er in die kamer als u uw naam hebt gehoord?’ Meneer B: ’Dan roep ik terug dat ze even geduld moeten hebben. Enige onderhandeling kan vast geen kwaad.

Uiteindelijk loop ik naar de linkerdeur en open deze. Een zeer helder wit licht brandt op mijn ogen. Wit is goed, licht is goed. Dan zie ik een donker silhouet in het witte vlak...’

We zwijgen enkele seconden die aanvoelen als minuten. ‘Dat was het. Meer weet ik niet. Meer heb ik nog niet gezien.’

Wat kan ik anders tegen meneer B zeggen dan dat er nog hoop klinkt in zijn woorden. ‘Een mens mag altijd blijven hopen. Soms kunnen we zelfs niet meer doen dan hopen.’ Meneer B doet er het zwijgen toe. Zijn bewolkte ogen zeggen alles. 

Na korte episodes in een psychiatrische kliniek en de thuiszorg werkt Willem Hopmans Eijkman (32) sinds 2014 als dialyseverpleegkundige in het OLVG-Oost te Amsterdam.

Meer lezen? Ga naar zijn andere columns: Willem zoekt aansluiting.