Tas met plas

Vrij diep verstopt onder mijn huid zitten de 2, voor lezers van dit blad, alom bekende organen die meestal niet zo goed werken als ik graag zou zien. Dat levert nogal eens problemen op. Vaak zijn die fysiek, maar opvallend vaak gaat het ook nogal mis tussen mij en andere mensen.

Maandelijks sleep ik mezelf een hernia aan een geelgedopte, donkerbruine, plastic 24-uurs container, die zich binnen 24 uur vult met mijn plas. In het ziekenhuis heb ik een anonieme en discrete plastic zak gekregen om mijn container goed verborgen te houden voor de buitenwereld. Het komt geregeld voor dat ik binnen de genoemde 24 uur ook nog professionele verplichtingen heb, het gevolg daarvan is dat mijn tas met plas dan gezellig meegaat. Trap af, stad door, metro in, trein in, kantoor in.

Vandaag zit ik met mijn tas bij een vergadering (oh shit, ik moet tijdens de bijeenkomst naar de wc). Ik probeer zachtjes op te staan en onopgemerkt de ruimte te verlaten terwijl ik mijn tas pak. Maar plotseling valt de hele vergadering stil door het geluid van een tas vol klotsende plas. Terwijl ik met een rood hoofd de zaal uit sluip, prikken meewarige blikken in mijn rug.

Plotseling valt de hele vergadering stil door het geluid van een tas vol klotsende plas

Hangend boven de container overweeg ik mijn opties: niets zeggen en iedereen in de waan laten dat ik een alcoholprobleem heb en tijdens de vergadering met mijn tas vol halflege flessen ‘even een momentje voor mezelf nodig had’? Of gewoon de waarheid zeggen en in een volle zaal met mensen die ik amper ken, iets vertellen in de trant van: ‘Uh ja, ik heb dus een tas vol plas omdat ik een nierziekte heb en zo kunnen ze mijn nierfunctie bijhouden.’ Geen van beide opties lijkt echt geschikt, dus ik kies voor de slappe gulden middenweg en zeg niets.

Na afloop zit ik met een collega te praten, ik vertel over de ongemakkelijke vergadering. Hij buigt zijn hoofd iets, leunt naar voren en vraagt op een lagere toonhoogte: ‘En eh, hoe gaat het nu eigenlijk met je uh, nieren?’ Alsof ik eigenlijk een dinosaurusbaby in mij draag die spontaan zal ontploffen als we op een normale toonhoogte over MIJN NIEREN!! praten.

Dus ik vertel hem over een recent bezoek aan mijn nefroloog. ‘Neuroloog’, zegt hij, ‘je bedoelt neuroloog.’ Verbouwereerd kijk ik hem aan. Waar haalt hij het lef vandaan om mij te verbeteren? Het gaat toch om een onderwerp waarbij ik helaas toch echt de ervaringsdeskundige ben? ‘Nefrologie, als in nephros, Grieks voor nieren’, kan ik niet laten te zeggen.

Het is een sociaal mijnenveld, dat ziek zijn. Terug in de trein met een nog zwaardere tas vol plas vraag ik me af: als je ziek bent, kun je soms de noodzaak voelen om je te verdedigen, al voordat een vraag is gesteld over je ziekte of gesteldheid. Met je zak met plas, je slechte gehoor en je dokter met de moeilijke naam kan je het gevoel krijgen te moeten uitleggen wat voor anderen niet helder is, omdat je ziekte (meestal) niet zichtbaar is en afwijkt van de middenweg, het normale en het algemene, hoe het heurt.

Nierproblemen. Zij vallen niet direct op, zoals een gebroken been. Een zegen, maar ook een valkuil.

Dit keer schrijft freelance journaliste Mirthe Berentsen over dit thema (www.mirtheberentsen.com).