Verschillen tussen ziekenhuizen

Gepubliceerd op 19 november 2020

Met mevrouw Teunissen gaat het gelukkig heel goed. Zij is 68 jaar en kreeg 3 jaar geleden een nier van een overleden donor. Met die nier heeft ze een prachtfunctie van rond de 60% behaald. Mevrouw is fit, stapt 5 keer per week op haar hometrainer en fietst dan 30 tot 45 minuten terwijl ze tv kijkt. Bij droog weer wandelt ze dagelijks 1 uur.

Ze vroeg me: ‘Dokter, ik lees van alles in een besloten nierpatiëntenclubje op Facebook. Zo las ik pas dat transplantatieziekenhuizen allemaal anders omgaan met medicijnen. De ene patiënt hoeft bijvoorbeeld nog maar 2 verschillende medicijnen te nemen, terwijl ik er 3 moet gebruiken. Hoe zit dat eigenlijk?’

In Nederland zijn er 7 niertransplantatiecentra. Oké 8, wanneer je de 2 Amsterdamse transplantatiecentra niet als 1 rekent. Inderdaad bestaan er verschillen tussen die centra als het om afweerremmende medicijnen gaat, de medicatie die nodig is om te voorkomen dat een donornier wordt afgestoten. Sommige ziekenhuizen bouwen na een aantal maanden de mycofenolaat af, andere ziekenhuizen verlagen sneller de dosis prednison en weer andere ziekenhuizen gaan door met 3 middelen in lagere dosering.

Het is mijn werk om te bepalen, waarmee een patiënt beter af is. Inderdaad kan het voor die ene patiënt de beste optie zijn naar 2 middelen te gaan, terwijl ik bij een andere patiënt voor een andere combinatie kies. Daarbij spelen leeftijd, antistoffen, eerdere transplantaties, maar ook de medische en psychiatrische voorgeschiedenis in belangrijke mate mee.

‘Geen mens is hetzelfde, dus geven we behandelingen op maat’

Zo heeft de 64-jarige mevrouw Groen jaren na haar transplantatie last van botontkalking. Daarom besloten wij de prednison te stoppen en slikt zij nu alleen nog tacrolimus en mycofenolaat.

En wat te denken van meneer Kuijer van 70 jaar. Hij zit nu in zijn tweede jaar na de transplantatie, hij is begonnen met tacrolimus, prednison en everolimus (in plaats van mycofenolaat) in verband met de huidkanker die hij eerder heeft gehad.

Zo zijn er legio combinaties mogelijk. En gelukkig maar, want per individu kunnen (bij)werkingen verschillen. Het is daarom goed dat we een keuze hebben en dat we kunnen wisselen.

Sinds een paar jaar hebben wij in het UMCG een focusgroep van patiënten en donoren met wie we jaarlijks praten over een bepaald onderwerp, met als doel onze zorg te verbeteren. Toen wij het een keer hadden over de voorlichting voorafgaand aan transplantatie, vertelden de patiënten uit die focusgroep dat ze het niet nodig vonden de informatie over de verschillen tussen de ziekenhuizen te horen. Zij vertrouwen erop dat hun nefrologen goed kunnen beoordelen welk transplantatiecentrum passend voor hen is en dat artsen hen dus naar het juiste ziekenhuis zullen doorverwijzen.

Toch hopen mijn collega’s en ikzelf steeds meer te leren over de verschillende mogelijke medicijncombinaties. Op die manier kunnen wij de behandelingen nog beter per patiënt op maat maken.

Namen van patiënten in deze column zijn verzonnen vanwege privacyredenen.

Margriet de Jong is internist-nefroloog bij het Universitair Medisch Centrum Groningen. Daarnaast doet ze onderzoek naar nieuwe medicatie bij transplantatiepatiënten.

Lees ook haar andere columns:

Dokter Margriet